Het is allemaal begonnen op de Bredaseweg. In wat vroeger het pied à terre was van de “leveranciers” van van Raak, de lompenboer. Todden en konijnenvellen. Morsige bakfietsen voor de deur. Maar alles werd anders.

Er was driftig verbouwd en gerenoveerd. Café De Fijnproever trok van de Bisschop Zwijsenstraat naar de plaats tegenover het kerkhof. Het begon echter niet in 1967 maar eerder, toen de Verrekesstauwers met hun geïmproviseerde optocht door de wijk trokken. Een optocht die onmiddellijk door de politie werd ontbonden. De burgemeester was niet zo carnavalsgek!

Ook De Fijnproever wilde mee in de vaart der volken. Er werd een carnavalsvereniging opgericht. Ze werd echter net zo snel weer ontbonden. De tijd was kennelijk niet rijp! Maar de teerling was geworpen. Op het moment dat het er naar uitzag dat we in Tilburg een eerste, echte optocht zouden krijgen, staken we de koppen opnieuw bij elkaar. De Fènpruuvers waren een feit. We wilden ons presenteren, iedereen een poepje laten ruiken. Narren waren we en narren zouden we worden!

FP_geschiedenis_1

Er werd een oplegger ter beschikking gesteld. Drie weken voor de carnaval was hij er eindelijk. De papierpulp er nog op. Met man en macht en met behulp van de in de bouwloods aanwezige materialen werd gebouwd. Op het thuisfront aan de Bredaseweg maakte men de kleding. Het zou iedereen rood, geel en groen voor de ogen zien. We bliezen meteen de eerste partij, een partij met wel een heel hoge C. Moeder Anna en den ouwe Piet waren in hun nopjes. Contacten liepen gemakkelijk. Iedereen had De Fijnproever als stamkroeg. De vereniging werd de stuwende kracht achter vele feestjes. Moeder Anna deelde consumptiebonnen uit om ons vast te houden. Een volle kroeg is beter dan een lege. Samen het zaaltje vegen en opruimen.

We kenden ook in die tijd onze problemen. Boekhoudkundig waren we op zijn minst zwak. En de kascontrolecommissie knutselde aan de keukentafel met de penningmeester een financiële verantwoording in elkaar.

Ook al waren er leden die ons ontvielen, plezier hebben we altijd gehad. Om de kop die niet meer door het raam kon. Om René die onderweg naar de Piushaven nog de bril van Becht moest monteren. Schrik hebben we ook gehad. Om gips dat maar niet wilde drogen. Om een chauffeur die dacht dat we moesten opstijgen. Om de kont van het gouden kalf dat in de Beukenstraat een 360-voltskabel door midden trok. De schrik zat er toen wel heel erg in. Om de glijbaan uit het achterste van een olifant die op een haar na alle geparkeerde auto’s miste omdat we veel langer waren dan de chauffeur dacht.

We werden langzamerhand een echte vereniging, een vereniging met structuur. Notarieel ingeschreven. Er was een huishoudelijk reglement. We hadden een ontwerper voor de wagen. We gingen over op polyester. Ook muzikaal werd het anders. Geen ingehuurd orkest meer maar eigen muzikanten. Karel blies de sterren van de hemel. Kluttels en Klutjes gingen hun eigen weg. Wij wôn ok us verscheen en verdween. Ik heb nog steeds goede herinneringen aan het roodborstje. En nu Bekèk ’t is. Er werd ondertussen verhuisd, een gezin gesticht. Anderen namen het stokje van ons over. We werden buitenlui. En dan blijkt dat de structuur van de vereniging een bijzondere en een goede is. Je kunt er nog steeds bij zijn. Deelnemen aan de loopgroep, het naaikransje, discussiëren in de vergaderingen. Samen optrekken met carnaval. Kortom lid zijn van jouw eigen carnavalsvereniging.

(Jan de Bres)